Het ontstaan van de Nederlandse Gebarentaal

De Nederlandse Gebarentaal (NGT) is ontstaan in de vijf Dovenscholen in Nederland, gevestigd in Groningen, St. Michielsgestel, Rotterdam, Voorburg en Amsterdam.

 

In 1880 werd tijdens een internationaal congres in Milaan door horende onderwijzers van Dovenscholen besloten om les te geven volgens de orale methode. Omdat men dacht dat het gebruik van gebaren de taalontwikkeling van de kinderen zou belemmeren mocht men niet meer gebaren. In de onderlinge communicatie bleven de kinderen stiekem gebaren en ontstond er per school een regionale variant van de Nederlandse Gebarentaal. 

Na taalkundig onderzoek waarin men aantoonde dat gebarentalen natuurlijke talen waren omdat ze een eigen woordenschat en grammatica hadden, werd men zich bewust dat gebaren de doven en slechthorenden op een positieve manier beïnvloeden. Het effect dat de gebarentaal had op de ontwikkeling van doven en slechthorende was ongekend waardoor de orale periode in de jaren '70 werd verbreed door een nieuwe filosofie. Deze nieuwe filosofie in het Dovenonderwijs wordt Totale communicatie genoemd. In de praktijk gebruikt men voornamelijk het synoniem Nederlands met Gebaren (NmG).

 

Erkenning van de Nederlandse Gebarentaal

De Nederlandse Gebarentaal is niet erkend door de Nederlandse Staat. Hierdoor is Nederlands het laatste Europese land waar men de Gebarentaal niet heeft erkend. Deze erkenning is de laatste jaren steeds belangrijker geworden voor het maatschappelijk goed kunnen functioneren van doven en slechthorenden in de horende omgeving, door bijvoorbeeld het inzetten van een tolk.

De emancipatiebeweging van de Nederlandse Dovengemeenschap wil door middel van het verankeren van de NGT in de onderwijswet en het ratificeren van het VN verdrag voor de gehandicapte mens stappen zetten naar de erkenning van de Nederlandse Gebarentaal. 

 
©Gebarencentrum